De tweede rechtszaak tegen Geert Wilders zit er op. Inmiddels is het vonnis van de rechter er. De vrijheid van meningsuiting zal in het vervolg getoetst kunnen worden aan nieuwe jurisprudentie, zoals dat zo mooi heet. Interessant is de vraag welke nieuwe maatschappelijke en politieke lijnen worden getrokken na vrijspraak danwel veroordeling. Merijn Oudenampsen volgt deze rechtszaak met interesse. Hij doet als promovendus onderzoek bij de Universiteit van Tilburg naar de ideeën achter de opkomst van rechts in de Nederlandse politiek, in de periode na Fortuyn. Over dit proces zegt hij: “Het kamp Wilders weet dat dit soort rechtszaken in de media gewonnen wordt. Hij heeft de facto gewonnen.”

Door: Enis Odaci 

Je bent een opvallende stem in het debat over het ‘Minder Marokkanen’-proces. Waarom heeft dit proces jouw aandacht?
“De interesse is makkelijk verklaarbaar, vanwege mijn promotieonderzoek naar de ideeën achter de draai naar rechts in de Nederlandse politiek. Geert Wilders en Paul Cliteur, die als getuige-deskundige heeft opgetreden, spelen een belangrijke rol in mijn verhaal. Soms wou ik dat het niet zo was, maar ze hebben al vier jaar een prominente plek in mijn hoofd. Daarnaast is er het bredere politieke belang van het proces, wat los staat van mijn academische interesses. Dat gaat over de vraag waar de grens wordt getrokken als het om discriminerende uitspraken gaat. We hebben sinds Fortuyn en Van Gogh een ontwikkeling gezien waarbij er steeds meer ruimte wordt gegeven aan wat wel het ‘vrije woord’ wordt genoemd.”

Het is een veel gebruikt begrip. Wat versta jij eronder?
“De gedachte daarachter, gepopulariseerd door Bolkestein, Herman Vuijsje en later Pim Fortuyn, is dat het verbieden van bepaalde uitspraken enkel leidt tot radicalisering en het verharden van racisme. Het is vergelijkbaar met hoe er in Nederland wordt gedacht over de legalisering van softdrugs: je tolereert iets met het idee het onder controle te houden. Je voorkomt zo dat het ondergronds gaat, waar de stap van softdrugs naar harddrugs makkelijker wordt. Zo denken velen over racisme. Er wordt in feite een beroep gedaan op onze gedoogcultuur. Het vrij kunnen uiten van zorgen over multiculturele problematiek zou radicalisering en extremisme voorkomen. Dit wordt ook wel de ‘snelkookpantheorie’ genoemd. Je neemt druk weg door vrije meningsuiting toe te staan en voorkomt zo dat het ding ontploft.”

Maar is het niet zo dat er al jarenlang juist alleen maar een toename is van vrije meningsuiting en dat de druk in het racismedebat juist niet afneemt?
“We zien nu inderdaad dat er grote tekortkomingen in die analyse zitten. Het gaat bijvoorbeeld uit van het idee dat achter racisme per definitie oprechte, reëel bestaande zorgen schuilen, die niet inherent racistisch van aard zijn. Denk aan criminaliteit, wijkproblematiek, integratie etc. We weten inmiddels dat veel van de Wilders-stemmers, net als het electoraat van Trump overigens, niet in gekleurde wijken woont. In plaats van de ‘snelkookpantheorie’, lijkt hier de ‘zondeboktheorie’ meer op zijn plaats. Wilders herleidt bijna alle sociale problematiek in Nederland tot de islam. Het heeft veel weg van een klassiek zondebok mechanisme, waarbij problemen en frustraties geprojecteerd worden op een bepaald persoon of groep, meestal de zwakkere. Het groepsmechanisme heeft de zondebok nodig om spanning af te voeren. Het kan uiteindelijk leiden tot uitstoting van de gemeenschap, waarna weer een nieuwe zondebok wordt gevonden. Discriminerende uitspraken kunnen juist een radicalisering van een dergelijke dynamiek inhouden.”

Het OM en Wilders’ advocaat hebben hun standpunten toegelicht en de rechter heeft Wilders veroordeeld, maar niet bestraft. Wat is jou het meeste bijgebleven?
“Mij is bovenal de interventie van Paul Cliteur bijgebleven. Ik heb er een opiniestuk in NRC Next aan gewijd. Wat mij opviel is de buitengewoon positieve reacties die Cliteur ten deel vielen in de media. De Volkskrant bijvoorbeeld schreef een zeer lovend artikel over zijn ‘eruditie en wetenschappelijke’ status. Allereerst is het opvallend, omdat Cliteur een wetenschappelijk rapport voor de PVV heeft geschreven. Hij doet dus bij tijd en wijle dienst als impromptu wetenschappelijk bureau van de PVV, en is daarmee politiek verre van neutraal. Gek genoeg werd dat werkelijk nergens genoemd. Vervolgens stond zijn getuigenis vol van overduidelijke drogredeneringen. Hij stelde bijvoorbeeld dat Wilders met zijn Minder-Marrokanen uitspraken selectievere immigratiecriteria bedoelde voor Marokkaanse asielzoekers. Terwijl Wilders zelf keer op keer heeft laten weten dat het hem om Marokkaanse Nederlanders gaat. Wat mij opviel is dat bijna geen enkel journalist de moeite nam om kritisch verslag te doen van Cliteurs betoog.”

De rechter ging tijdens het proces wel kritisch in op Cliteurs beweringen.
“De rechter was overduidelijk not impressed door Cliteurs interpretatie van de uitspraken van Wilders en concludeerde op onderkoelde, beheerste wijze: ‘In die zin is het uw interpretatie van hoe u het heeft gelezen en hoe u het uitlegt en waarop u dan vervolgens ook voortredeneert in uw verslag.’ Een rechter kan niet dichterbij komen bij de uitspraak: ‘U lult uit uw nek.’ Een van de rechters kon een besmuikt lachje niet onderdrukken. Zij lachte Cliteur feitelijk in zijn gezicht uit. De man ging werkelijk af als een gieter. Maar niets daarvan was te lezen in de media. Behalve een vage vermelding van het feit dat Wilders deze rechter mede hierom wilde wraken. Er is dus een enorme discrepantie tussen de werkelijkheid in de rechtszaal en de werkelijkheid in de media. Dat komt mede omdat de rechter zelf zich pas helemaal aan het einde laat horen, op het moment dat het kamp Wilders al wekenlang het debat naar haar hand heeft kunnen zetten. En omdat veel opiniemakers zich stil houden, met het idee dat het aan de rechter is om een oordeel te vellen. Ook is de juridische werkelijkheid zo complex dat velen het niet kunnen volgen, neem alleen al de verwarring die ontstaan is over het begrip ‘ras’ en of Marokkanen wel een ras zijn.”

Men probeert de juridische zaak in en via de media te winnen, en slaat de rechtszaal over.
“Ja, wat we zien gebeuren is dat Wilders en Cliteur zich niet zozeer richten op het winnen van het juridische debat. Hun interventies zijn gericht op het politieke en mediadebat. Daarbij gesteund door media als De Telegraaf, Elsevier en zelfs de NOS en De Volkskrant. Het kamp Wilders weet dat dit soort rechtszaken in de media gewonnen wordt en voeren feitelijk een andere strijd. Wilders heeft de facto al gewonnen, mede omdat er vanuit de media geen tegendruk wordt gegeven. We zagen iets vergelijkbaars met Wilders’ eindpleidooi. Dat werd ook zonder enige kritische noot weergegeven. Dat hij nu is veroordeeld maakt eigenlijk niet zoveel meer uit. Hij kan zich presenteren als slachtoffer van een politiek correcte elite of als degene die het vrije woord heeft doen zegevieren. In beide gevallen zou Wilders de morele winnaar zijn.”

Is daarmee een juridisch debat over de grenzen van meningsuiting wel de juiste? Zeg je dat we zelf ook moeten nadenken over die grenzen, los van de rechter?
“Ja, de rechter is om de hierboven genoemde reden – en er zijn er nog wel meer te noemen – een onhandig instrument om racistische uitspraken te bestrijden. Veel journalisten in Nederland vinden dat overigens ook. Daarbij wordt vaak gewezen naar het Amerikaanse model, waar een vrij absolute vrijheid van meningsuiting bestaat. Het probleem is echter dat politiek en media in de VS het als hun taak zien om racistische uitspraken tegen te gaan én te bestrijden. We zien het nu in de zeer kritische wijze waarop in verschillende kranten verslag gedaan wordt van Trump.”

Ik zie dat in Nederland een andere mediacultuur heerst.
“In Nederland zitten politici en journalisten in hun maag met de rechtszaak tegen Wilders. Ze willen liever dat de rechter hier niet aan te pas komt. Maar tegelijkertijd zien zij voor zichzelf geen taak om deze rol van de rechter over te nemen. Zij verwijzen gewoontegetrouw nog steeds graag naar wat juridisch mag als ultieme morele richtlijn over welke uitspraken geoorloofd zijn. Als je meer vrijheid van meningsuiting wil, zul je als maatschappij en journalistiek zelf een grotere rol op je moeten nemen, in het bestrijden van intolerantie uitspraken.”

Is er, los van de juridische rol van de rechter, of de verantwoordelijkheid van de media, op een bepaald moment niet sprake van een dermate gevaarlijk klimaat dat mensen wel grenzen moeten stellen?
“We weten allemaal dat er een verband is tussen woorden en daden. Pim Fortuyn zei op beroemde wijze dat er vrijheid van meningsuiting moet zijn, tot op het punt van het oproepen tot geweld. Die grens is echter veel diffuser dan sommige mensen denken. Na de moord op Fortuyn bijvoorbeeld, werden veel opiniemakers en politici ervan beschuldigd een klimaat te hebben gecreëerd dat heeft geleid tot de moord of dat de toevlucht tot geweld denkbaar heeft gemaakt. Sindsdien wordt deze vermeende medeplichtigheid door rechts aangeduid met het woord ‘demonisering’. Het is feitelijk een manier om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Eenieder die Wilders afschildert als bedreiging, wordt door hem beschuldigd van demonisering. We zien dus dat men op rechts feitelijk heel selectief is met de vrijheid van meningsuiting. Alleen beroept men zich niet op de rechter om dat te realiseren, maar doet men dit via het debat zelf.”

Ben je het daarmee eens?
“Mijn stelling is dat de bestrijding van racisme en tolerantie meer van deze logica zou moeten uitgaan. Want Wilders demoniseert zelf natuurlijk ook. Hij schildert de islam soms af als een kracht die niet meer met democratische middelen bestreden kan worden. Overal in Europa gaan de lichten uit, stelde hij in zijn vorige rechtszaak. Dat soort alarmistische retoriek is heel gevaarlijk. Het kan mensen verleiden tot de conclusie dat geweld het enige resterende middel is. In meer alledaagse zin creëert Wilders met zijn uitspraken een klimaat dat concrete daden tot gevolg heeft, van uitsluiting op de arbeidsmarkt, tot intimidatie van moslims op straat. Daar kan een rechter niet elke keer een stokje voor steken. Dat zullen we toch veel vaker zelf moeten gaan doen. Waarbij de politiek en journalistiek erop gewezen moeten worden, dat zij een veel grotere verantwoordelijkheid hebben op dit terrein.”

Meer info?

  • Merijn Oudenampsen (1979, Amsterdam) is socioloog en politicoloog. Hij doet als promovendus onderzoek bij de Universiteit van Tilburg naar de intellectuele achtergronden van de draai naar rechts in de Nederlandse politiek met de opkomst van Fortuyn. Op zijn website is meer van zijn werk te vinden.
  • Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd op Nieuwwij.nl en bewerkt naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Wilders.

Reageer

avatar
wpDiscuz