Een ‘heilige nacht’ in een Leidse steeg


Het is 1970. Ik woon met twee andere studenten op kamers in een steegje in Leiden boven een patatwinkel waar de baklucht door de planken vloer dringt. Mijn hospita besluit op een dag om na iedere verhuizing van ons, drie Marokkaanse gastarbeiders op één kamer te leggen. Ik blijf tenslotte over met zes nieuwe huisgenoten.

Samen met mijn vriendin word ik lid van de Werkgroep Buitenlandse Arbeiders, die zich wil inzetten voor de uitgebuite vreemdelingen. Op zaterdagmiddag geven we ze taalles. We schrijven voor Tarzouti en Gajari brieven aan dokters en instanties. Een van mijn nieuwe huisgenoten, doodziek van heimwee, klaagt almaar over buikpijn. De bedrijfsarts reageert: “Mijnheer mankeert niets”. Als jonge man zie ik hun hopeloze affaires met Nederlandse vrouwen, ik beluister hun verontwaardiging over prostituees van wie ze ‘geen tijd’ krijgen en ook ‘geen thee’. Samen met vrouwelijke religieuzen gaat onze groep schrobben in een vervuild Marokkanenpension waar de arbeiders in ploegen in dezelfde bedden slapen. Een knokploeg van de huisjesmelker mept ons eruit.

Voor het eerst hoor ik dat er zoiets bestaat als de ‘ramadan’; een vasten, begrijp ik, waarbij je overdag niet eet.

Het huis waar ik zelf woon, heeft één planks wanden. Midden in de nacht om een uur of vier hoor ik gestommel en ruik een gekruide etenslucht. Ze zijn soep met schapenvlees aan het koken. Voor het eerst hoor ik dat er zoiets bestaat als de ‘ramadan’; een vasten, begrijp ik, waarbij je overdag niet eet. Ik merk hoe belangrijk dit vasten voor ze is in een voor hen moeilijke periode, in een vreemde omgeving vol onbegrip. Hebben mijn Marokkaanse huisgenoten, toen ze mij wakker maakten, me ook aangezet de oer-perspectieven van het christelijke vasten beter te willen begrijpen?

In 1995 schreef ik voor de bisschoppelijke Vastenaktie een artikel: Van Vastenplicht naar Vastenbehoefte. Ik bekeek de belangrijkste motieven van het katholieke vasten, zoals ik die uit de oude Katechismus van de Rooms-katholieke kerk nog kende. Ik probeerde de daar geformuleerde motieven te vertalen naar vandaag. Ik merkte in die tijd een opkomende behoefte aan meer eenvoud, en aan wat later duurzaamheid ging heten. Ik bracht die met een diepere ‘behoefte’ aan vasten in verband.

“De christelijke versterving dient om boete te doen voor onze zonden en ons te leren beheersen, zodat we Christus beter kunnen navolgen.” (Antwoord op vraag 523 van de Katechismus van de Nederlandse bisdommen, 1952).

Wat betekenen die christelijke motieven? Hoe vertaal je ze en laten ze zich wel vergelijken met die van de islam?

Ik zie allereerst het ontledigingsmotief, vroeger wel ‘versterving’ genoemd: het bewust inperken van eigen keuzemogelijkheden te midden van alle overdaad onder meer aan eten en drinken. Maar de vastentijd is voor christenen op zich geen feestelijke tijd, er bestaat geen iftar, maar juist een sobere vastenmaaltijd; alleen op zondag ontspant zich de boog. De vasten begint wel met een feest: carnaval. Er bestaat ook geen Suikerfeest (‘het kleine feest’), ook geen Offerfeest (‘het grote feest’). ‘Onze’ vasten eindigt met Pasen, hèt grote feest voor christenen.

Dan is er het zelfverbeteringsmotief, je ‘leren beheersen’: het aankweken van discipline om weerbaar te zijn tegen het kwaad. Dat komt in de buurt van de persoonlijke jihad die de islam kent.

Ook in het boetemotief schuilt verwantschap: je geest oefenen in ‘berouw’ over wat er fout ging tussen jou en anderen en dus ook tussen jou en God, om dat weer goed te willen maken. Berouw (tawbah) is voor moslims de terugkeer naar God, voor christenen het noodzakelijke voorstadium van verzoening: ware bevrijding die een nieuw begin belooft. In beide religies is er dus, ondanks verschillen, een verwant streven naar innerlijke reiniging.

Het motief tenslotte van de navolging, in het bijzonder van Jezus’ (of Isa’s) solidariteit met armen en zieken. Denkend aan de zakaat, de ‘reiniging’ in de vorm van verplichte aalmoezen aan behoeftigen, lijkt me de overeenkomst met het praktiseren van het christelijke liefdegebod het sterkst.

Ik zie vanuit mijn eigen traditie vier mooie, maar ook intrigerende gesprekken over motieven voor het vasten die zowel verschillen als verwantschap kennen. Bij mij begonnen die 45 jaar geleden in een keukentje in Leiden.


Over Gied ten Berge

Gied ten Berge (1948) studeerde wijsgerige sociologie en na zijn pensioen theologie en vergelijkende godsdienstwetenschappen. Hij werkte 35 jaar voor de vredesbewegingen IKV en Pax Christi. Hij is medeoprichter van Kairos Palestina en voorzitter van het Steuncomité Israëlische Vredes en Mensenrechtenorganisaties (SIVMO). Hij publiceerde samen met zijn vrouw Wantje Fritschy over de pelgrimage naar Santiago de Compostela (‘Pelgrimeren naar de Morendoder’). Er verscheen ook een boek van zijn hand over de verschillen en geschillen ònder joden, christenen en moslims ten aanzien van het Heilige Land (‘Land van mensen’). Dit voorjaar kwam zijn boek ‘Kom en zie!’ uit, een studie naar een nieuw type pelgrims in het Heilige Land die ‘meervoudig verbonden, maar niet neutraal’ willen zijn.

Reageer

avatar
Sorteer op:   nieuwste | oudste | meest gestemde
Niels
Gast

Het was wel erg, maar het vertrek van 1 student genereerde slechts ruimte voor twee Marokkanen. Ik betaalde 70 gulden per maand, de gastarbeiders per persoon per week dat bedrag

Gied
Gast
Het is lang geleden Niels!. Ik denk dat je in zoverre gelijk hebt dat de eerste twee er twee op een kamer kwamen. Jij en ik bleven toen over. Na jouw verhuizing werd de aanpak uitgebreid. Er werd tenslotte zowel overdag als ’s nachts geslapen. In het keukentje van misschien 4 m2 waar ook nog een afgetimmerd WCtje op uitkwam was het ’s ochtends file. Op een gegeven moment ben ik ook verhuist, weggekeken inmiddels door de hospita. Toen ik haar een keer voorzichtig aansprak op deze Marokkenmelkerij, zei ze: “De mensen verdienen nu eenmaal aan de ellende van een… Lees meer »
wpDiscuz