Jasmine’s guitige, bruine ogen


“Ja, ik ben Joods”. Jasmine’s twee donkere ogen kijken mij guitig aan vanonder haar licht beige hoofddoekje. Zij herhaalt haar vraag. “Ben u echt Joods?” Ik glimlach. “Ja, echt waar!”

Nu staart het kleine meisje, ik schat haar op een jaar of twaalf, ernstig naar mij. Dan slaat zij haar ogen neer. “Maar meneer, haat u mij dan niet? Ik ben een Moslima.”

Jasmine is na die eerste kennismaking van toen ook al weer een paar jaar ouder. Ik hoop dat het haar goed gaat, thuis en op school. Gisteravond bij de Iftar, de maaltijd aan het eind van een lange vastendag tijdens de Ramadan, heeft ook zij ongetwijfeld wat van de dadels gegeten, haar glas melk gedronken.

Jasmine hoort tijdens deze maand van bezinning natuurlijk veel over vrede en over G’ds zegeningen over deze wereld. Een wereld waarin vrede en zegeningen eindelijk de plaats kunnen innemen van afwijzing en geweld.

Nog steeds zie ik die twee donkere ogen van dat wat bange meisje van toen voor mij

Nog steeds zie ik die twee donkere ogen van dat wat bange meisje van toen voor mij. Maar ik weet dat Jasmine, nu onderhand ook al een tiener, geïnspireerd door een gelovig leven en vasthoudend aan de tradities van het ouderlijk huis, niet meer bang is voor mij als Jood. Zij weet dat Joden en Moslims geen reden hebben om elkaar te haten. Integendeel, samen hebben de Jasmines samen met hun Joodse leeftijdsgenoten de taak om onze samenleving te tonen wat wij samen de wereld om ons heen hebben te bieden.

Ik lees in het schitterende boek, The Jewish Heritage van Eastern Morocco, over het Joods historisch erfgoed in Marokko, dat mij onlangs werd aangeboden door de Marokkaanse ambassadeur in ons land, zijn excellentie heer Mellouki.

“Jasmine, jouw ouders, grootouders en overgrootouders werden niet ‘gehaat’ door de Joodse medebewoners in Tetouan, Fez of Casablanca. Net zomin als deze Joodse buren gehaat werden door de Moslims in hun straat of in hun dorp of stad. Integendeel. Samen hebben zij eeuwen met elkaar samengeleefd in hun moederland Marokko.”

De volgende keer Jasmine wanneer wij elkaar weer tegenkomen kijk jij mij opnieuw aan met jouw guitige bruine ogen. Samen zullen wij enkele dadels eten, een glas melk drinken tijdens die Iftar. Zonder je ogen dan neer te slaan zul je zeggen. “Nee, in een wereld van Allah’s zegen en vrede, haten wij elkaar niet.”

Jasmine, voor jou en voor al onze Islamitische dierbaren en vrienden, een gezegende en vreedzame Ramadan.


Over Lody van de Kamp

Afkomstig uit een Joods gezin waarvan de vader twee jaar doorbracht in het concentratiekamp Auschwitz en de moeder als onderduikster de oorlog overleefde, volgde Van de Kamp een rabbinale opleiding aan de Talmoedhogescholen in Montreux en Londen, waarbij hij ook bevoegd werd om als ritueel slachter (sjocheet) op te treden. Van 1973 tot 1978 verrichtte hij dergelijke slachtingen (sjechita geheten) in Amsterdam. Na in 1978 in Londen zijn studie tot een goede einde te hebben gebracht, was hij er enige tijd als rabbijn werkzaam, alvorens hij in 1981 als rabbijn voor het NIG in Den Haag werd gestationeerd. In 1987 verruilde hij deze standplaats voor die van Amsterdam, gevolgd door die van Rotterdam, waar hij van 1994 tot 1996 functioneerde.

De laatste jaren richt Van de Kamp zich steeds meer op de dialoog tussen joden en moslims, een relatie die hij probeert te bestendigen met initiatieven als Salaam-Shalom. Samen met zijn Marokkaans-Nederlandse vriend Saïd Bensellam adviseert hij inmiddels overheden en diverse verwante organisaties over dialoog en verbinding, training en coaching en over jeugdpreventie. Van de Kamp is prominent aanwezig in het debat over islamofobie en antisemitisme. Tijdens de laatste oorlog tussen Israël en Palestina sprak ik met hem over de heftige maatschappelijke emoties die bij dit conflict loskwamen.

Reageer

avatar
wpDiscuz