In het Nederlands Dagblad van 4 februari jl. is een vertaalde brief opgenomen van Ayman Ibrahim, docent Islamstudies aan het Baptist Theological Seminary in Louisville (VS). In deze brief geeft Ibrahim commentaar op de onlangs gehouden conferentie in het Marokkaanse Marrakesh, waar honderden prominentie soennitische en sjiitische islamitische geleerden, samen met vertegenwoordigers van andere levensovertuigingen, hebben gepleit voor bescherming van religieuze minderheden. Dit resulteerde in de zogenaamde Marrakesh Verklaring.

door: Enis Odaci en Arnold Yasin Mol

De verklaring in het kort: 250 geleerden roepen in duidelijke bewoordingen op om de veiligheid en rechten van religieuze minderheden te waarborgen. Dit baseren zij op het islamitische recht en zij verwijzen naar het Handvest van Medina, waarin profeet Mohammed en de multireligieuze stad Medina, 1400 jaar geleden afspraken maakte over de vrijheid van godsdienst. Moslimgeleerden wereldwijd hanteren met de Cairo Declaration of Human Rights (1990) vooral de Shari’a als norm. Met ‘Marrakesh’ gebruiken zij nu het Handvest van Medina én de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) als norm. Elke vorm van Shari’a moet samenvloeien met deze en andere VN-verdragen. Daarmee vervalt eindelijk het kunstmatige onderscheid tussen ‘Westerse’ en ‘islamitische’ normen en waarden.

Ayman Ibrahim is pessimistisch over deze verklaring en voert twee redenen aan: (1) Eerst zien, dan geloven en (2) Mohammed heeft tijdens zijn leven joodse stammen vermoord. Noot vooraf: op zijn website schrijft Ibrahim: “Het is mijn doel om moslims lief te hebben en hen de hoop van Jezus te brengen, zoals ik die ook heb ontvangen.” Ongeacht zijn gekleurde bril willen wij zijn argumenten serieus nemen, omdat wij deze in de interreligieuze dialoog regelmatig tegenkomen.

De oproep om geen woorden, maar daden te zien, gaat voorbij aan de essentie en functie van een religieuze oproep, namelijk dat religieuze boegbeelden het vonkje van hervorming aanwakkeren, dat nodig is voor een op vrijheid gerichte religieuze, maatschappelijke en uiteindelijk politieke beweging. De uitspraken van de huidige Paus over milieu, de markteconomie en de achtergestelde positie van vrouwen en homoseksuelen, zijn niet gelijk de oplossing voor alle misstanden. Maar zijn uitspraken laten wel degelijk sporen na. Ze maken mensen wakker en kunnen net dat laatste duwtje in de rug zijn. Dat is de functie van Marrakesh. De oproep om de Shari’a volgend te laten zijn op universele mensenrechten (dus gelijkheid van ras, cultuur, religie en gender, inclusief afvalligheid en bekering) is in vele delen van de islamitische wereld een verregaande en unieke uitspraak.

Ayman Ibrahim geeft vervolgens voorbeelden van joodse stammen, die zouden zijn vermoord door de profeet Mohammed. Het door Marrakesh aangehaalde Handvest van Medina is daarmee volgens hem dus vooral goede sier. Als Ibrahim bronnen citeert, dan moet hij dat goed doen en niet de context weglaten. In alle drie de situaties was het Handvest van Medina inderdaad van kracht, maar de joodse stammen, die in deze periode zijn verdreven of waar oorlog mee is gevoerd, hadden ook allen eenzijdig dit vredesverdrag geschonden. In klassieke islamitische teksten wordt dit punt altijd benadrukt en ook gold dat executies alleen werden uitgevoerd op die strijders die “muqattil” waren: zij die daadwerkelijk de wapens hadden gebruikt.

We moeten niet in de val trappen om elke positieve ontwikkeling te bedekken met een deken van wantrouwen.

Dat er voorbehouden zijn ten opzichte van de Marrakesh Verklaring is te begrijpen. We moeten echter niet in de val trappen om elke positieve ontwikkeling te bedekken met een deken van wantrouwen. Omdat de islamitische wereld geen centraal gezag kent, is het veel moeilijker om religieuze hervormingen af te dwingen. Afhankelijk van sociale omstandigheden, dominante cultuur en regionaal gezag van moslimgeleerden hebben mensenrechtenbewegingen de ene keer meer, dan weer minder effect.

Zo bezien is de samenkomst van al deze geleerden, die openlijk andersgelovigen, vrouwen, kunstenaars, medewerkers in het onderwijs en politici oproepen om actief die rechten te claimen, een indrukwekkend signaal. Het is een signaal dat in Nederland aandacht verdient en door christelijke organisaties ingezet moet worden in de dialoog met moslims. Niet om te bekeren, maar om te co-existeren. Wat dat betreft gaat de Verklaring van Marrakesh ons allen aan, omdat we allemaal verbonden zijn in de droom van een vreedzaam samenleven. Het is daarom hoog tijd om de handen opnieuw ineen te slaan.

Meer info?

  • Arnold Yasin Mol is oprichter van het Islam and Human Rights Institute en docent islamitische theologie aan het FAHM instituut.
  • Dit artikel is gepubliceerd in het Nederlands Dagblad
  • Eerder is een opinie artikel over Marrakesh geplaatst op Joop.nl
  • Like Humanislam op Facebook

Reageer

avatar
Sorteer op:   nieuwste | oudste | meest gestemde
Marcel Hulspas
Gast
Marcel Hulspas
Het is natuurlijk interessant en hoopgevend dat deze geleerden (soennitische en sjiitische) teruggrijpen naar het Handvest (Verdrag, Constitutie) van Medina, een intrigerend document van vóór het uiteengaan van beide stromingen. Daarin is inderdaad, opmerkelijk genoeg, sprake van de opname van Joden/Joodse clans in de oemma. Daarnaast lijkt in de (uiterst lastige) tekst sprake te zijn van het onderbrengen van joodse inwoners (van Medina, waarschijnlijk) bij Arabische stammen, zoals vreemdelingen altijd in principe ergens ‘ondergebracht’ moesten zijn (voor hun eigen bescherming, bijvoorbeeld). Maar wilden de Joden dat wel? Wilden ze daarnaast (als leden van de oemma) het gezag van Mohammed als… Lees meer »
Arnold Yasin Mol
Gast
In jouw speculatie Marcel zit een contradictie. 1) Als Mohammed zo’n negatieve benadering had tot de Arabisch-joodse stammen (ze werden hoe dan ook altijd benaderd als mede-Arabieren, niet als “allochtonen”, net zo goed als de Mushrikien werden aangeduid als Arabische Mushrikien), waarom wordt er een gelijkheidspositie tot hen aangenomen? 2) In de Qur’an wordt er een onderscheid gemaakt tussen zij die moslims bevechten en vervolgen en zij die dat niet doen. Als joden hoe dan ook vervolgd zouden worden dan hebben verzen als 3:114, 60:8 en 9:29 geen functie. Het idee dat de Qur’an een anti-joodse tendens heeft is vooral… Lees meer »
wpDiscuz