Rond mijn negentiende levensjaar wist ik niet goed meer wie ik was. Ik zwalkte als jonge kerel hevig tussen twee culturen, de Turkse en de Nederlandse. Wat te doen? Om de schizofrenie de baas te worden besloot ik enige tijd op de Kanaaleilanden Jersey en Guernsey te blijven. Ik nam helemaal niemand mee. Geen vrienden, geen familie. Alleen mijn spiegelbeeld was welkom.

Het waren de langste dagen uit mijn leven. Ik ontdekte de fysieke pijn van eenzaamheid. De realiteit van een ontworteld bestaan was rauw en ongenadig. Vele stiltemomenten, dagtripjes en vluchtige ontmoetingen later bleek ik geen antwoord gekregen te hebben op mijn vraag welke nationaliteit ik had. Ik besloot, hevig teleurgesteld in mijzelf, op de zesde avond terug te rijden naar Nederland.

Ten zuiden van Parijs werd ik vanwege wegwerkzaamheden met verkeersborden van de snelweg gedirigeerd. Het was inmiddels nacht en er was vrijwel geen verkeer. Na een paar afslagen zag ik ook geen verkeersborden meer. De wegen werden smaller en het landschap werd vlakker. Ik eindigde op een soort plateau waar ik moest stoppen, anders zou ik vijf meter naar beneden storten. Ik was hopeloos verdwaald. In de verte zag ik de lichten van een slapend Parijs. Een logisch einde van mijn vakantie: niet alleen wist ik niet meer wíe ik was, nu wist ik ook niet meer wáár ik was.

Toen ik mij even later omdraaide zag ik in de verte twee lichtjes verschijnen. Ze slingerden langzaam heen en weer – het was een auto die de bochtige weggetjes volgde. De lichtjes werden groter en ze kwamen dichterbij. Ik was ongerust. De vreemde auto stopte uiteindelijk naast die van mij en ik staarde als een bang konijn midden in de koplampen. Was dit mijn einde? De deur ging open en er kwam geen beul, maar een jonge mevrouw op mij afgelopen. Vlotte, lichte stapjes. En toen een hele lieve vrouwenstem: “Bon soir, monsieur.” Het bleek een non te zijn. Een non! Ze was klein van postuur en in het donker kon ik haar gezichtsuitdrukking moeilijk ontwaren. Een glimmende ketting met het kruisbeeld van Jezus hing om haar nek. Licht in duisternis. Ik antwoordde in het Engels: “Madame, please help me, I must go to Holland!” Ze sprak gelukkig ook een beetje Engels. “Yes, many people are lost here tonight. Follow me and I will help you.”

Moest ik op dit uur, midden in de nacht, achter een wildvreemde non aanrijden om weer in Nederland aan te komen? Kon ik haar vertrouwen? Ik had geen telefoon bij me, sprak de taal niet en kon op dit uur dus geen ander hulp verwachten. Er was geen keuze – ik moest haar volgen. We reden over bochtige weggetjes en langs stille dorpen. De non stopte op een gegeven moment in de berm en bleef even in haar auto zitten. Nu gaat het gebeuren, dacht ik. Mijn voet rustte op het gaspedaal. Ik bad intens tot God, bang als ik was dat de non op elk ogenblik zou uitstappen om vervolgens met haar verscholen vrienden heel nare dingen met mij te doen.

Ze stapte uit haar auto en had in haar hand geen wapen, maar een cassettebandje! Voor het eerst kon ik goed haar gezicht zien. Een klein, vriendelijk gezicht. Ik stapte ook uit en nam het cassettebandje in ontvangst. De non sprak met zachte stem: “Hopelijk vindt u deze muziek mooi. Vannacht help ik alle verdwaalde mensen. U ziet straks een bord waarop Amsterdam staat. Jezus zal u leiden.” Deze non reed elke nacht heen en weer naar dat plateau, waar ik ook terecht was gekomen, om verdwaalde toeristen weer op weg te helpen. Ik was diep geroerd.

Toen lachte ze de mooiste glimlach die ik ooit gezien had. Ik bedankte haar in honderd talen en stapte weer in mijn auto. Opgewekt deed ik het cassettebandje in mijn autoradio. Een Engelstalige band zong enthousiaste popsongs over Jezus Christus. Met Jezus in mijn oor en een non in mijn hart vond ik de weg naar huis. Ik heb mij niet bekeerd tot het christendom, maar ik ontdekte wel dat mijn vakantie niet voor niets was geweest.

Meer info?
Deze column verscheen in het januari -nummer 2015 van Volzin Magazine.

Reageer

avatar
wpDiscuz